Wild in beeld
Start
WBE Sevenum
Kalender/Nieuws
Wild in beeld
Wet Natuurbeschermings
Wildschade
Jacht links
Sponsors
Contact
Konijn - Haas - Wilde eend - Fazant - Houtduif - Zwarte kraai - Ree - Vos - Wild zwijn
Steenmarter - Boommarter - Wezel - Muskusrat - Grauwe gans - Nijlgans - Patrijs
 
Konijn
Latijnse naam   

Oryctolagus cuniculus.
Grootte              
34-48 cm.
Veldkenmerken   
Rug bruinachtig geelgrijs, buikzijde wit. Korte, naar voren
gebogen, oren. Staart lijkt geheel wit.
Rammeltijd          
Januari-september.
Draagtijd             
4 weken, 3-9 jongen (lampreien), 4-7 worpen per jaar,
na +/- 7 maanden geslachtsrijp.
Voedsel              
Voornamelijk bladachtige plantdelen. Een enkele keer ook slakken
of aardwormen.
Biotoop               
Zandgrond, lichte kleigrond, loof- en naaldbos.

terug naar begin
 



 

Haas
Latijnse naam

Lepus capensis.
Grootte               
48-69 cm.
Veldkenmerken  
Kleur geelbruin, grijsbruin of okerkleurig, met witte onderzijde. Lange oren met zwarte punten. Ogen barnsteenkleurig.Staart zwarte bovenzijde, witte onderzijde. Lange poten.
Paartijd              
Gedurende het gehele jaar met een piek in het voorjaar.
Draagtijd
6 weken, moer werpt +/- 3x per jaar 1-6 jongen, na 6-7 maanden geslachtsrijp.
Voedsel
Cultuurgewassen, boombast, knoppen en jong boomgewas,
grassen en kruiden.
Biotoop
Bijna alle soorten vlak land (voorkeur nabij cultuurgewassen).

terug naar begin
 

Wilde eend
Latijnse naam

Anas platyrhynchos.
Grootte               
58 cm.
Veldkenmerken  
M = glanzende groene kop met smalle witte halsband, bruine borst,
lichtgrijze onderzijde, witte staart met gekrulde zwarte veren,
snavel geelachtig V = bruingevlekt, beide paars-blauwe spiegel.
Broedtijd            
Februari-mei, 28 dagen, 8-15 eieren, jongen na 7 weken vliegvlug.
Voedsel              
Slakken, visjes, insecten, waterplanten, gras, aardappelen,
peulvruchten en granen.
Biotoop              
Overal waar voldoende water is.
Broedgebied      
Geheel Europa.

terug naar begin
 
Fazant
Latijnse naam
           
Phasianus colchicus.
Grootte                
M = 83 cm, V = 58 cm
Veldkenmerken    
M = lange staart, glanzend verenkleed met groene of blauwe kop, 
grote kale ronde plekken rond de ogen, V = kortere staart als de
haan, bruin gevlekt.
Broedtijd             
April-juni, 24-26 dagen, 6-16 eieren, jongen na 12-14 dagen vliegvlug.
Voedsel                
Plantaardig en dierlijk voedsel zoals zaden, eikels, knollen, bessen,
wortels, bladluizen, etc.
Biotoop                
Heggen, wallen en begroeide slootkanten, duin- en bosgebieden.
Broedgebied       
Plaatsen met dichte begroeiing, zoals hoog gras.

terug naar begin
 
Houtduif
Latijnse naam

Columba palumbus.
Grootte               
41 cm.
Veldkenmerken   
Blauwgrijze rug, kop, nek en staart, staartpunt is zwart.
Borst lichtrose, witte vleugelband en witte halsvlek.
Broedtijd             
Februari-november (met piek in mei), 15-17 dagen, 2 eieren, 
 jongen na 18-22 dagen vliegvlug.
Voedsel               
Granen, peulvruchten, eikels, beukennootjes, kool, klaver,
vogelmuur, slakjes, maden en poppen.
Broedgebied        
Heel Europa, behalve Noord-Scandinavië, in bomen en struiken.

terug naar begin
 

Zwarte Kraai
Latijnse naam

Corvus corone corone.
Grootte                      
47 cm.
Veldkenmerken          
Zwarte vogel.
Broedtijd                    
April-mei, 19 dagen, 4-5 eieren, jongen na 30-35 dagen vliegvlug.
Voedsel                      
Zeer gevarieerd zoals graan, insecten vruchten, zaden,
soms kleine zoogdieren. Ook eieren, jonge vogels en jong kleinwild,
vooral in de tijd dat de eigen jongen worden gevoerd.
Biotoop                      
Open land zoals polders met hier en daar een boom, grasland.
Ook in bosgebied, langs de kust en in de omgeving van steden.
Broedgebied              
In bomen of op rotsrichels.

terug naar begin
 

 
Ree
Latijnse naam

Capreolus capreolus.
Grootte               
Schouderhoogte 65-75 cm, lichaamslengte 95-125 cm.
Veldkenmerken   
M (bok) een klein gewei, niervormige lichtgekleurde spiegel
V(geit) hartvormig lichtgekleurde spiegel met ‘schortje’.
Beide ’s zomers roodbruin, ’s winters bruingrijs.
Bronsttijd            
Eind juli, begin augustus.
Draagtijd            
40 weken (vertraagde inplantatie), 1-2 kalveren
Voedsel               
Grassen, kruiden, heide, loof, bosvruchten en graan.
Biotoop                
Bossen, venen, moerassen, duinen en grienden; ook in boomloze
landbouwgebieden waar het zich kan terugtrekken in de dekking.

terug naar begin
 
Vos
Latijnse naam
Vulpes vulpes.
Grootte
Romplengte 60-80, staartlengte 30-50 cm, schouderhoogte 38 cm.
Veldkenmerken
Roodbruin van boven. Buik, keel en staartpunt wit.
Spitse kop met masker.
Rans- of roltijd
Januari-februari.
Draagtijd
51-54 dagen, 3-7 jongen, jongen na +/- 1 jaar geslachtsrijp.
Voedsel
Muizen, konijnen, insecten en aas, vogels, reekalveren en
niet dierlijk voedsel zoals bessen, etc.
Biotoop
Overwegend droog terrein, in of in de nabijheid van bossen,
struikgewas of andere hoge dekking.

terug naar begin
 
Wild zwijn
Latijnse naam
Sus scrofa.
Grootte
Schofthoogte tot 90 cm, lengte 110-180 cm.
Veldkenmerken
Licht- tot zwartachtig bruin.
Paartijd
November-januari.
Draagtijd
+/- 115 dagen, 1-11 biggen.
Voedsel
Alleseter, wortels, bladgroen, bessen, noten, eikels, paddenstoelen,
regenwormen, kleine zoogdieren, eieren, etc.
Biotoop
Bossen met onderbegroeiing, velden, bebouwde akkers.

terug naar begin
 
Steenmarter
Latijnse naam
Martes foina.
Grootte
43-50 cm, staartlengte 21-27 cm.
Veldkenmerken
Grijsbruin, wolharen grijswit. Driehoekige oren, witte ‘gevorkte’ keel
en halsvlek doorlopend tot op de voorpoten. Voetzolen onbehaard.
Ranstijd
Juli-augustus.
Draagtijd
+/- 38 weken (vertraagde inplantatie) 3-5 jongen.
Voedsel
Pluimvee, kleine zoogdieren, eieren, wormen, vogels en vruchten.
Biotoop
Op of nabij menselijke nederzettingen of langs bosranden

terug naar begin
 

Boommarter
Latijnse naam

Martes martes.
Grootte                  
45-55 cm,staartlengte 25-27 cm, schouderhoogte 15 cm
Veldkenmerken
Bruin met ongedeelde gele keelvlek, donker spitse snuit,
driehoekige oren. Voetzolen sterk behaard.
Ranstijd                 
Juli-augustus.
Draagtijd               
+/- 38 weken (vertraagde inplantatie) 3-5 jongen.
Voedsel 
Voornamelijk dierlijk, zoals eieren, knaagdieren en vogels,
maar ook insecten en fruit.
Biotoop 
Grote naaldhout – en gemengde houtbossen

terug naar begin
 

Wezel
Latijnse naam
                
Mustela nivalis.
Grootte                
14-30 cm (staartlengte max. 5 cm)
Veldkenmerken     
Zeer slank, kortpotig, bruine bovenzijde, witte onderzijde. 
Bruin vlekje achter de mondhoek. Geen witte rand aan de oren.
Kleine en korte staart zonder zwarte punt.
Ranstijd                
Maart-augustus (met piek in april-mei).
Voedsel                  
Voornamelijk kleine knaagdieren, mollen en kikkers,
soms ook eieren en vis.
Biotoop                 
Meestal in droog en zandig terrein, met voorkeur voor de
nabijheid van water.

terug naar begin
 

Muskusrat
Latijnse naam
Ondatra zibethicus.
Grootte                                   
50-65 cm (incl. 20-28 cm staartlengte).
Veldkenmerken                      
Rugzijde grijs tot zwartbruin, buikzijde grijs tot vuilwit.
Spaarzaam behaarde staart, zijdelings afgeplat. Vuilgroene of
oranje gekleurde krachtige snijtanden.
Paartijd                                 
April-augustus (meerder worpen per jaar)
Draagtijd                              
28 dagen, 7-8- jongen.
Voedsel                                 
Wortels en wortelstokken van waterplanten en vrijwel alle 
cultuurgewassen. Ook vissen en zoetwatermossels.
Biotoop                                 
Stilstaande wateren met riet en biezen begroeide oevers

terug naar begin
 

Grauwe gans
Latijnse naam   

Anser anser.
Grootte                  
76-89 cm.
Veldkenmerken      
Bruingrijs gestreepte rug, lichtgrijze voorvleugel, lichte kop en hals,
oranje snavel en roze poten.
Broedtijd                 
April-mei, 28 dagen, 4-6 eieren, jongen ca. 8 weken vliegvlug.
Voedsel                   
Gras, graan, bietenkoppen en peulvruchten, maar ook riet, biezen,
lisdotten en rietgras.
Biotoop                   
’s Winters op stoppelvelden en weilanden in de omgeving van
voedselrijk, ruim open water.
Broedgebied           
De broedgebieden liggen vooral op de toendra’s van Noord-Rusland
en strekken zich uit tot ver in Siberië. Er is een groeiend aantal
broedende ganzen  in Nederland te vinden.

terug naar begin
 

Nijlgans
Latijnse naam
       
Alopochen aegyptiacus.
Grootte                
63-73 cm.
Veldkenmerken   
Nijlganzen hebben een bruingrijs verenkleed. Rond het oog
hebben ze een chocoladebruine vlek. De snavel is deels zwart,
deels roze.
Broedtijd              
De meeste ganzen broeden in het voorjaar, ook kan men in de
herfst en zelfs midden in de winter nijlganzen met jongen
aantreffen.
Voedsel              
Zaden, bladeren, grassen en stengels. Af en toe eet dit dier
sprinkhanen, wormen en andere kleine dieren.  
Biotoop                
Voornamelijk op land, hoewel het goed kan zwemmen.
Broedgebied       
Van oorsprong alleen in Afrika. Hier worden ze ook nu nog
aangetroffen op het hele continent ten zuiden van de Sahara.
Ze broeden daar als de situatie gunstig is. Dit is vooral in de regentijd.
In Europa is de soort tegenwoordig op veel plaatsen broedvogel.

terug naar begin
 
Patrijs
Latijnse naam

Perdix perdix.
Grootte                
30cm.
Veldkenmerken     
Licht kastanjebruine kop, lichte gespikkelde borst met daarop
vaak een donkere  kastansjebruine vlek. Rug en staart bruin
tot roestrood.
Broedtijd              
April-mei, 24-25 dagen, 8-12 eieren, jongen na 2 weken vliegvlug.
Voedsel                
Jongen eten gedurende hun eerste periode insecten.
Daarna voornamelijk plantaardig zoals zaden, bietenkoppen,
groene scheuten van gras, klaver, etc.
Biotoop                 
Cultuurgebiede met akkers, ook wel in duinen en heiden.
Broedgebied         
Heggen, wallen en andere ruige begroeiing.

terug naar begin